Burghgraef Van Tiel & Partners Nieuwsbrief December 2014

Casus: Wijzigingen Certificeringsregeling Brandmeld- en ontruimingsinstallaties

In het vernieuwde bouwbesluit van april 2012, zijn ook wijzigingen opgenomen met betrekking tot brandmeld- en ontruimingsinstallaties. Ook u zult daar al wel iets van hebben meegekregen. Alleen voor hoge risico objecten – welke door de overheid zijn voorgeschreven – is certificering nog vereist. Dit betekent concreet afgifte van een ‘inspectiecertificaat’ door een van de onafhankelijke geaccrediteerde inspectie-instellingen.

Verantwoordelijkheden worden verlegd naar de eindgebruiker. Het certificatieschema van het CCV is privaatrechtelijk en wordt niet vanuit wet- en regelgeving aangestuurd, maar er zijn wel sancties van toepassing bij niet voldoen of nalatigheid. De inspectieschema’s van het CCV worden door het bouwbesluit aangestuurd.

Verzekeraars kunnen hierin ook meer een rol gaan spelen, door het onder bepaalde voorwaarden  accepteren van risico’s en bij het afhandelen van schadeclaims.

Het overgangstermijn,  om vertrouwd te raken met de nieuwe regelgeving, loopt op
31 december 2014 af. Tot medio september 2014 is her-certificering nog wel mogelijk volgens de oude regeling Brandmeldinstallaties 2002, certificering van het onderhoud.

Wat gaat er zoal veranderen:

  • – Het opstellen van PvE’s valt buiten de regelingen van het CCV – hiervoor is nog een kwaliteitsregeling in de maak – maar blijft wel vereist en de basis voor brand- en ontruimingsinstallaties. Het CIBV heeft wel een kwaliteitsregeling voor het opstellen van de PvE’s;
  • – De nieuwe regeling gaat ook gelden voor ontruimingsinstallaties;
  • – De in het verleden hanteerde certificering hoog, midden en laag komt geheel te vervallen;
  • – Het verplichte jaarlijkse onderhoud aan de brand- en ontruimingsinstallaties is geschrapt, hiervoor is in plaats gekomen: “adequaat” onderhoud, voorgeschreven vanuit het bouwbesluit;
  • – Certificatie-instellingen kunnen een productcertificaat (waarop installateurs de installatie aanleggen) blijven afgeven volgens 3 afzonderlijke regelingen, te weten: branddetectiebedrijf, brandonderhoudsbedrijf en brandinstallatiebedrijf. Hierbij met gebruikmaking van rapporten van oplevering en onderhoud alsook installatieattesten. Afgifte van productcertificaten is alleen mogelijk, wanneer de betreffende bedrijven zelf ook gecertificeerd zijn (door een certificatie-instelling);
  • – Bij brandmeldinstallaties met rechtstreekse doormelding naar een Regionale Alarm Centrale (RAC) wordt een jaarlijkse inspectie verplicht. Uit te voeren door een van de onafhankelijke inspectie-instellingen met daarbij afgifte van het ‘inspectiecertificaat’. Een eventueel afgegeven productcertificaat door een branddetectiebedrijf telt in de beoordeling wel mee. Een inspecteur stemt zijn daar zijn werk op af en maakt  lagere inspectiekosten. Een eindgebruiker heeft hier dus de keus op basis van te maken kosten;
  • – Bij voorgeschreven brandmeldinstallaties zonder rechtstreekse doormelding, is een inspectiefrequentie van 1×3 jaar vereist. Ook hier zal een inspecteur het eventueel afgegeven productcertificaat door een branddetectiebedrijf laten meewegen (lees lagere inspectiekosten);
  • – Voor de overige installaties geldt geen certificeringsverplichting meer. De eindgebruiker dient dus zelf af te wegen of hij voldoet aan het bouwbesluit;
  • – Het CCV-inspectieschema is goed ingericht voor het certificeren van geïntegreerde brandbeveiligingsystemen, waarbij doelmatigheid van de beveiliging voorop staat. Daarnaast kunnen ook bouwkundige en organisatorische maatregelen volgens dit schema worden beoordeeld;
  • – De CCV-certificatieschema’s geven een gecertificeerd bedrijf de mogelijkheid om zijn eigen levering of onderhoud te certificeren. Het certificaat geeft aan dat de werkzaamheden aan de installatie conform de norm zijn uitgevoerd.

De volgende keuzes en afwegingen zijn mogelijk voor eindgebruikers:

– Toch doormelden naar een RAC of PAC – ondanks dat dit niet vereist is – en voldoen aan de hieraan gestelde eisen;
– Heeft zelf voldoende kennis in huis om te kunnen afwegen of dat voldaan wordt aan het bouwbesluit en tevens de wil om de verantwoording te dragen in relatie tot zijn hoofdelijke aansprakelijkheid;
– Welke uitstraling is er gewenst richting bezoekers en/of personeel;
Doormiddel van het werken met een gecertificeerd bedrijf en afgifte van een certificaat voor levering en van onderhoud kan worden aangetoond dat aan gestelde eisen wordt voldaan en de installatie(s) op de juiste wijze worden onderhouden en beheerd.
– Welke eisen stelt een verzekeraar en heeft deze bepaalde vastleggingen gedaan in opgenomen clausules.

Toelichting op het onderhoud van brandmeld- en ontruimingsinstallaties:

Het onderhouden en beheren van brandmeld- en ontruimingsinstallaties moet conform het bouwbesluit worden onderhouden conform de normen: NEN 2654-1 en 2. Indien sprake is van inspectiecertificering moet het onderhoud “adequaat” plaatsvinden. Deze vrijblijvende omschrijving kan voor een eindgebruiker lastig zijn en bij eventuele inspecties wel voor problemen zorgen omdat het “adequaat” onderhoud niet goed wordt beschreven. De verwachting is dat hierdoor bezuinigd gaat worden op onderhoud (en de diepgang hierin) en zal dit niet meer jaarlijks plaatsvinden, zoals dat nu het geval is. Ook hierbij zijn eventuele vastleggingen belangrijk in (toekomstige) verzekeringsclausules. De betreffende eindgebruikers zullen hier op geattendeerd moeten worden. Met een productcertificaat ‘onderhoud’ kan in ieder geval aangetoond worden dat in alle redelijkheid is voldaan aan de zorgplicht.

Toelichting op het certificeren van ontruimingsinstallaties:

Ontruimingsinstallaties in gebouwen met gecertificeerde brandmeldinstallaties, behoren vanaf 2015 ook te worden gecertificeerd. Bij een inspectie door een onafhankelijk inspectie-instelling kan geconstateerd worden dat er bijvoorbeeld te weinig slow-whoops zijn toegepast en er aanpassingen vereist zijn. Tevens is een ontruimingsplan hierbij verplicht.
Op het gebied van bijvoorbeeld aansprakelijkheid kunnen verzekeraars, bij het afhandelen van schadeclaims of bij het accepteren van risico’s, naar verwachting hun eisen en clausules gaan aanscherpen.

Kort samengevat:

– de eindgebruiker is zelf verantwoordelijk en aansprakelijk;

– de eindgebruiker (opdrachtgever) is verantwoordelijk voor PvE’s;

– niet gecertificeerde installatie- en onderhoudsbedrijven zullen actief zijn op de
markt en hoe gaan o.a. verzekeraars om met dergelijke installaties?

– de eindgebruiker kan voor – onverwachte – extra kosten komen te staan bijv. bij het werken met niet gecertificeerde onderhouds- of installatiebedrijven, dit zal zeker het geval zijn, als PvE’s niet goed en volledig zijn opgesteld;

– wanneer een eindgebruiker niet goed is geïnformeerd kunnen o.a.  op verzekeringstechnische gebiedt ‘onaangename’ verrassingen aan het licht komen;

– hoe gaan verzekeraars inspelen op de nieuwe situatie.

Wanneer u nader informatie wilt inwinnen, dan kunt u dat onder andere vinden op de website van het CCV. www.hetccv.nl.

Burghgraef van Tiel & Partners BV

Risico-inspecties en advies